Op zoek naar goud
Mijn vorige verhaal eindigde tussen de dennebomen. En dat is dus precies waar dit verhaal verder gaat. Zou gaan... Denneboombaantjes bleken voornamelijk uit pauzes te bestaan en ik heb er weinig spannende avonturen aan overgehouden. Daarom begin ik dit verhaal op het moment dat het allemaal goedgemaakt zou worden; 10 dagen later en 40 kilometer noordwaarts, in Picton. Aan de rand van de Marlborough Sounds kijk je op de kaart en vraag je je af of het water het land inloopt of andersom. In dit gebied vol baaien, eilanden en schiereilanden zou ik de Queen Charlotte Track gaan lopen. De pret begon al eerder, bij de boottocht naar het begin van de wandeling nam ik de precht in me op terwijl de jan van genten boven mijn hoofd zweefden, de zeehonden op de rotsen lagen en ik zelfs al een enorme 'leopard seal' had mogen aanschouwen.
Het zou alleen nog maar beter worden. Ik was nog maar nauwelijks aan het lopen of ik had al sommige van de mooiste uitzicten gezien. Van bovenaf keek ik neer op de groene bergen, witte stranden en water in alle kleuren waarin je het ooit hebt gezien. Daartussen liep een pad, mijn pad. Precies zoals het zijn moest, klein en verlaten. Net zoals ik, met de fluitende vogels om me heen werd ik geabsorbeerd door de Sounds. En ook al kon de regen op de tweede dag even mijn hoop wegnemen, al gauw zou ik ook hem dankbaar zijn. Ik heb geen flauw idee hoeveel regenbogen er op dat moment over de aarde schenen, ik ben er zeker van dat ik een privevoorstelling kreeg van de mooiste van alle. Nog beter dan een pot met goud, kwam deze regenboog tevoorschijn uit de groene bergen recht voor mij. Helder schijnend over het water ertussen, daalde hij aan de andere kant weer neer.Een beeld wat ik enkele dagen later, in Nelson, nog steeds voor me zou zien.
In Nelson had ik afgesproken met oude bekende, Nadja. We hadden folders van de Abel Tasman gezien. Kayaks op water zo helder dat ze leken te zweven, dat wilden wij ook. Onze verwachtingen waren hoog, maar ook deze keer zouden we zeker niet teleurgesteld worden. In een van de zonnigste dagen sinds de winter, stapten we in onze gele boot. Peddelend langs de rotsen, paradijselijke stranden en vogels met in de verte, middenin de zee, land in zicht. Hoe dichterbij we kwamen, hoe perfecter het werd. Ik kreeg meer en meer zekerheid dat er op zijn minst een schatkist vol goude munten begraven moest liggen. En eenmaal aangekomen, rende we rond op een eiland waarvan ik altijd gedacht had dat ze alleen in klassieke kinderen voor kinderen nummers bestonden. De dag erna werd het gevoel dat ik droomde alleen nog maar sterker. Nog voordat we pinguins hadden zien zwemmen en op de achtergrond dolfijnen sierlijk uit het water hadden zien springen, waren we op weg naar weer een ander eiland. Met het plan om slechts even langs de kust ervan te varen, kwamen we terecht in een kleine baai waar we werden begroet door een stel jonge zeehondjes. Door het water heen zagen we ze op ons afkomen, even later doken ze aan de andere kant weer op om aan de peddels te snuffelen. Terwijl hun moeders vanaf de rotsen een oogje in het zeil hielden, lieten ze zich aanraken en maakten ze wilde sprongen alsof ze een dolfinariumcarriere in hun hoofd hadden. Twee dagen later liepen we door nog meer mooie natuur het park aan de andere kant weer uit.
We kwamen terecht aan het eind van de bewoonde wereld, in Takaka waar we het helderste springwater ter wereld nog net konden zien, en we op het strand van Farewell spit de wind in ons gezicht hebben laten waaien.
De tijd was aangebroken voor mijn tocht naar Christchurch. De eerste stop was in Punakaiki, waar de woeste zee de rotsen heeft veranderd in stapels versteende pannekoeken en het water met volle kracht uit de 'blowholes' spuit. Nog mooier was de lift naar Christchurch zelf. Het eiland doorkruizen van west naar oost geeft zicht op prachtige berglandschappen waar ik zeker nog eens terug moet komen.
Christchurch zelf bleek een leuek stad te zijn, zeker op een zonnige zondagmiddag zoals ik het heb leren kennen. Vol met straatartiesten, maori-jongerenzanggroepen en marktkraampjes. Geen van deze waren echter de reden waarvoor ik in eerste instantie naar Christchurch was toegekomen. Ik was er vanwege het vliegveld. Drie dagen nadat ik was aangekomen vertrok er een vliegtuig naar Auckland. En ik had er een ticket voor, tenminste... dat dacht ik. De vrouw bij de check-in kon mijn niet in de computer vinden. Er werd een tweede vrouw bijgehaald zodat ze me uiteindelijk samen teleur konden stellen. Ik stond niet in hun systeem. Ik baalde enorm, maar diep van binnen genoot ik toch ook van het feit dat alle angsten van de dag ervoor werkelijkheid waren geworden. Misschien wel nog harder genoot ik van de opluchting toen ik op internet ontdekte dat ik niet om 10 uur, maar om 11 uur vertrok. Het plotselinge gat van tijd dat ontstond heb ik gevuld met het luisteren naar hippe, Nieuw Zeelandse muziek bij de cd winkel op het vliegveld. De vlucht zelf verliep goed. Ik had een plaats aan het raam waardoor ik de toppen van de bergen boven de wolken kon zien uitsteken. De hoofdstad zelf daarentegen was een grote schok. In de eerste drie minuten in het centrum had ik al meer mensen gezien dan in de drie weken reizen ervoor. Ik nam de eerste bus uit Auckland City en sliep die nacht in Orewa, de plaats waar ik ruim zes maanden geleden op de bus was gestapt om mijn reis te beginnen.
Dit keer ging ik er liftend weg, op weg naar het doel van al het gedoe; Donnelly's Crossing. Een plaatsje middenin het bos met hooguit tien huizen. In een van die huizen zou Manny (de oplettende lezer herkent deze naam uit mijn verhaal van maart) nog een paar weken wonen voor hij weer terug zou gaan naar Hawaii. Tien dagen heb ik er uitgerust, me thuis gevoeld, spelletjes gespeeld, films gekeken, kennis gemaakt met de buren en vooral niets gedaan. Tien dagen lang heb ik met Manny gehangen voordat ik het hele eind weer terug zou liften.
Van bovenaan in het noordereiland moest ik weer naar het midden van het zuidereiland. Het ging gelukkig allemaal ouderwets makkelijk. Met een stel Brazilianen heb ik nog een tocht door de Waitomo Caves gamaakt om de natuurgevormde kathedralen en de duizenden glimwormen te zien.
Weer terug op het zuidereiland heb ik in Blenheim nog even met Robert, Andy en Miran afgesproken en uit eindelijk heb ik in Kaikoura Nadja weer opgezocht. In de volgende vroege morgen stonden we op om met een boot de oceaan op te gaan, op zoek naar walvissen. We vonden ze, eerst zagen we ze hun water in de lucht spuiten, daarna gooiden ze hun gigantische staart de lucht in om in de diepte te verdwijnen. Als bonus kregen we ook nog een albatros en een groep dolfijnen te zien. Na dit spektakel namen Nadja en ik voor de laatste keer afscheid, zij op weg naar Nederland, ik naar Fiji. Gelukkig heb ik eerst nog twee dagen hier terug in Christchurch om mijn vertrektijden te dubbelchecken...
